%@LANGUAGE="JAVASCRIPT" CODEPAGE="65001"%>
![]() |
![]() |
|
Rasstandaard De Duitse Herdershond is een van de meest populaire hondenrassen ter wereld. Deze honden zijn zowel goede gezelschapsdieren als werkhonden. Zij zijn uiterst geschikt als waak- en begeleidingshond en hebben de reputatie zeer toegewijd en vlug van begrip te zijn.
|
||
De Duitse herdershond, wiens planmatige fokkerij na de oprichting van de vereniging in 1899 begon, is gefokt uit de middelduitse en zuidduitse slagen van de destijds beschikbare schaapherdershonden met als einddoel een tot hoge prestaties aangelegde gebruikshond te scheppen. Om dit doel te bereiken werd de rasstandaard van de Duitse herdershond vastgelegd, welke betrekking heeft op zowel de lichamelijke gesteldheid als ook op gedrags- en karaktereigenschappen.
ALGEMEEN VERSCHIJNINGSBEELD ![]()
De Duitse herdershond is middelgroot, licht gestrekt, krachtig en goed bespierd, de knoken droog en totaalstructuur vast.
BELANGRIJKE VERHOUDINGEN IN MAAT ![]()
De schofthoogte bedraagt voor reuen 60 tot 65 cm, bij teven 55 tot 60 cm. De romplengte overtreft de maat van de schofthoogte met ongeveer 1 0 tot 17 %.
KARAKTER![]()
De Duitse herdershond moet met betrekking tot het beeld van het karakter evenwichtig zijn, zenuwvast, zelfverzekerd, absoluut onbevangen en (met uitzondering van een prikkelsituatie) volledig goedaardig zijn, daarbij opmerkzaam en goed te leiden.
Hij moet moed, strijddrift en hardheid bezitten om als geleide-, waak-, verdedigings-, dienst- en herdershond geschikt te zijn.
Volgens de rasstandaard moet de Duitse Herdershond in zijn karakterbeeld evenwichtig, zenuwvast, zelfverzekerd, absoluut onbevangen en goedaardig zijn. Daarom moet hij zich gedragen als een betrouwbare, zelfbewuste en zelfverzekerde hond.
Zijn dienstbaarheid uit zich in veel werkdrift. Angst, schuwheid, agressie en een lage prikkeldrempel alsmede een overdreven dominante aard zijn volstrekt uit den boze. De Duitse Herdershond moet een handelbare hond zijn.
KOP ![]()
De kop is wigvormig, in overeenstemming met de lichaamsgrootte (ongeveer 40% van de schofthoogte), zonder plomp of overstrekt te zijn, in de totaalverschijning droog, tussen de oren matig breed.
Het voorhoofd is van voren en van opzij gezien slechts weinig gewelfd en zonder of slechts met zwak aangeduide middelgroef. De verhouding tussen bovenkop en gezichtsgedeelte bedraagt 50 % - 50 %. De breedte van de bovenkop komt ongeveer overeen met de lengte van de bovenkop. De bovenkop gaat (van boven gezien) van de oren tot de top van de neus, gelijkmatig verkleinend met schuin verlopende, niet scherp gevormde stop over in het wigvormig verlopende gezichtsdeel (vanggedeelte) van de kop. Boven- en onderkaak zijn krachtig ontwikkeld. De neusrug recht, een dip of welving is niet gewenst. De lippen zijn strak, goed sluitend en van donkere kleur.
De neus: moet zwart zijn.
Het gebit: moet krachtig, gezond en volledig zijn (42 tanden volgens de tandformule). De Duitse herdershond heeft een schaargebit, dat wil zeggen de snijtanden moeten als een schaar in elkaar grijpen, waarbij de snijtanden van de bovenkaak als een schaar over die van de onderkaak snijden. Tanggebit, bovenvoor- en ondervoorbijten is foutief, net als grotere tussenruimtes tussen de tanden (plaatsing met leemten). Foutief is eveneens een recht vlak van de snijtanden. De kaakbeenderen moeten krachtig ontwikkeld zijn opdat de tanden diep in het tandbeen ingeworteld kunnen zijn.
De ogen: zijn middelgroot, amandelvormig, iets schuinsliggend en niet uitpuilend. De kleur van de ogen moet zo donker mogelijk zijn. Lichte, priemende ogen zijn niet gewenst, aangezien ze de uitdrukking van de hond benadelen.
De oren: de Duitse herdershond heeft staande oren van middelmatige grootte, die rechtop en gelijkgericht gedragen worden (niet zijwaarts getrokken), ze zijn spits uitlopend en met de oorschelp naar voren gericht. Tip- en hangoren zijn foutief. In beweging of in rusttoestand naar achteren gericht gedragen oren zijn niet foutief. De hals: moet krachtig, goed bespierd en zonder losse keelhuid (wammen) zijn. De hoek ten opzichte van de romp (een horizontale lijn) bedraagt ongeveer 45°.
LICHAAM ![]()
De bovenlijn verloopt vanaf de halsaanzet over de goed ontwikkelde schoft en over de ten opzichte van een horizontale lijn heel licht afvallende rug tot aan de licht afvallende croupe zonder zichtbare onderbreking. De rug is vast, krachtig en goed bespierd. De croupe moet lang en licht afvallend zijn (ongeveer 231 ten opzichte van een horizontale lijn) en zonder onderbreking van de bovenbelijning overgaan in de staartaanzet.
De borst: moet matig breed zijn, de onderborst zo mogelijk lang en uitgesproken. De borstdiepte moet ongeveer 45 tot 48 % van de schofthoogte bedragen. De ribben behoren een matige welving te tonen, een tonvormige borst is net zo foutief als vlakke ribben.
De staart: reikt minstens tot aan het spronggewricht, evenwel niet over het midden van de achtermiddenvoet. Ze is aan de onderzijde iets langer behaard en wordt in een licht afhangende boog gedragen, waarbij ze in opwinding en bij beweging meer opgeheven gedragen wordt, evenwel niet boven de ruglijn. Operatieve correcties zijn verboden.
LEDEMATEN ![]()
Voorhand: de voorste ledematen zijn van alle zijden bezien recht, van voren gezien absoluut parallel. Schouderblad en opperarm zijn van gelijke lengte en door middel van krachtige bespiering vast tegen het lichaam gelegen. De hoeking van schouderblad en opperarm bedraagt in het ideale geval 90°, doorgaans tot 110°.
De ellebogen mogen noch in stand noch in beweging uitgedraaid worden en evenmin ingedrukt worden. De onderarmen zijn van alle zijden bezien recht en absoluut parallel staande ten opzichte van elkaar, droog en vast bespierd. De voormiddenvoet heeft een lengte van ongeveer éénderde van de onderarm en heeft een hoeking met deze van ongeveer 20 tot 22°. Zowel een te schuin staande voormiddenvoet (meer dan 22°) dan een te steil staande voormiddenvoet (minder dan 20°), beïnvloeden de gebruiksgeschiktheid, in het bijzonder het uithoudingsvermogen. De poten: zijn rond, goed gesloten en gewelfd, de voetzolen hard maar niet bros. De nagels zijn krachtig en van donkere kleur.
Achterhand: de plaatsing van de achterpoten is licht terugslaand, waarbij de achterste ledematen van achteren gezien parallel ten opzichte van elkaar staan. Boven- en onderschenkel zijn van ongeveer gelijke lengte en vormen een hoek van ongeveer 120°, de dijen zijn krachtig en goed bespierd. De spronggewrichten zijn krachtig gevormd en vast, de achtermiddenvoet staat loodrecht onder het spronggewricht.
De poten: zijn gesloten, licht gewelfd, de zolen hard en van donkere kleur, de nagels krachtig, gewelfd en eveneens van donkere kleur.
GANGWERK ![]()
De Duitse herdershond is een draver. De ledematen moeten in lengte en hoekingen zo op elkaar afgestemd zijn dat hij zonder wezenlijke verandering van de rugbelijning de achterhand tot aan de romp verplaatsen kan en met de voorhand net zo ver kan uitgrijpen. Iedere neiging tot overhoeking van de achterhand vermindert de vastheid en het uithoudingsvermogen en daarmee de gebruikswaarde. Bij correcte verhoudingen in de bouw en hoekingen is een ruim uitgrijpend, vlak over de bodem gaand gangwerk mogelijk, dat de indruk geeft van moeiteloze bewegingen voorwaarts. Bij een naar voren geschoven kop en licht opgeheven staart ziet men bij een gelijkmatige en rustige draf een vanaf de oorpunten over de nek en de rug tot aan de punt van de staart verlopende zachtgewelfde en niet onderbroken rugbelijning.
HUID ![]()
De huid is (los) aanliggend zonder evenwel plooien te vormen.
BEHARING ![]()
Gesteldheid van het haar: de correcte beharing voor de Duitse herdershond is het stokhaar met onderwol. Het dekhaar moet zo mogelijk dicht, op correcte wijze hard en vast aanliggend zijn. Aan de kop met inbegrip van de binnenzijde der oren, aan de voorzijde der ledematen, op poten en tenen kort, aan de hals wat langer en sterker behaard. Aan de achterzijde der poten is het haar langer tot aan het polsgewricht, aan de achterzijde van de dijen vormt het een matige broek.

